Author: bultemapelch

Vrijgezel blijven omdat je in bed plast.

Vooral mannen zien soms geen andere uitweg, hoorde Pim Campman in de droogbedkliniek in Meppel.

Met de juiste hulp is de kwaal te verhelpen. Baas worden over je eigen blaas: de een is daar vlotter mee dan de ander. Van de 2-jarigen plast 80 procent in bed of luier; bij 5-jarigen is dat 7 procent en bij 7-jarigen 5 procent. Met het klimmen der jaren loopt dat verder terug. Maar niet tot nul: tussen 80.000 en 160.000 volwassenen in ons land, bijna één procent van de bevolking, houden het ’s nachts niet droog.

Twee van de drie bedplassende volwassenen zijn man, zegt Zwaan Mulder van het Nederlands Droogbed Centrum/Kenniscentrum Bedplassen in Meppel. Hoe dat komt, is onbekend. Al zijn daar wel theorieën over.

De gevolgen zijn vaak vérstrekkend. Mulder: ,,Vooral onder mannen is bedplassen een gigantisch taboe. Vrouwen komen er makkelijker voor uit. Dat zie je ook bij incontinentie. Maar mannen lopen er liever hun hele leven mee rond dan erover te praten. Weinig zelfvertrouwen, sociaal isolement – het komt allemaal voor. Het kan zo ver gaan, dat ze geen relatie durven aangaan. Veel mannen zijn vrijgezel vanwege dit probleem, daar zien wij hier de voorbeelden van.’’

Van bedplassen is sprake als tijdens de slaap geregeld – enkele keren per maand tot elke nacht – ongemerkt een plas wordt gedaan. Meestal is geen lichamelijke oorzaak te vinden. ,,Hoofdreden is altijd dat je niet wakker wordt van het signaaltje dat de blaas vol is,’’ aldus Mulder. Sommige bedplassers hebben een kleine of slecht rekbare blaas, of maken tijdens de slaap meer urine aan dan gemiddeld. ,,Maar daarom hoef je nog niet in bed te plassen. Massa’s mensen moeten er ‘s nachts uit om te plassen. Pas als je niet wakker wordt van dat seintje, heb je een probleem.’’ Voor vast slapen geldt hetzelfde. ,,Bedplassen komt in alle fases van de slaap voor. Vast slapen is niet zozeer het punt, niet wakker worden wel.’’

Stress of emoties kunnen een rol spelen. ,,Is het rommelig in je hoofd, dan kunnen seintjes van de blaas je makkelijker ontgaan.’’ En psychische problemen? ,,Er zijn meer mensen met psychische problemen dóór het bedplassen dan mensen die bedplassen door psychische problemen.’’ Wel kan bedplassen ‘in de familie’ zitten: bij kinderen wiens vader of moeder er last van heeft (gehad), komt het relatief vaker voor.

De Meppelse droogbedkliniek behandelt bedplassers vanaf 12 jaar; de hardnekkigste gevallen, die vergeefs van alles hebben geprobeerd. ,,Van de volwassenen die wij hier krijgen, hebben de meesten heel lang niets meer ondernomen. Ze hebben in hun jeugd te horen gekregen dat er niets aan te doen is en ze er maar mee moeten leren leven.’’ Fout, zegt Mulder: ,,Ik zeg niet dat we iedereen ervan af kunnen helpen. Maar ons succespercentage is 60, 70 procent. Haal je de 14- tot 16-jarigen – die in een turbulente levensfase van uitgaan en feesten zitten – eruit, dan scoren we nog hoger. Wij horen heel vaak verhalen van volwassenen die aangeven dat hun leven radicaal is verbeterd sinds ze van hun bedplasprobleem zijn verlost.’’

Bedplassen in de media

Elke volwassene die we droog krijgen is er één

Incontinentieverpleegkundige Zwaan Mulder hamert er al jaren op dat het bedplassen (bij volwassenen) uit de taboesfeer moet komen. Zij is medeoprichter, coördinator en ambassadrice van het Nederlands Droogbedcentrum van het Diaconessenhuis.

‘Mensen praten makkelijker over seks tussen de lakens dan over bedplassen. Niet meer in bed plassen verbetert de kwaliteit van je leven, je zelfvertrouwen stijgt, je mobiliteit wordt beter. Elke volwassene die we droog krijgen is er één’

Van de volwassen mensen in Nederland plassen er 120.000 regelmatig in bed. Datzelfde aantal is in Nederland nierpatiënt. Het Droogbedcentrum maakte dit cijfer onlangs bekend. ‘Het heeft de media dit jaar wakker geschud,’ aldus coördinator Zwaan Mulder.

BNN besteedde aandacht aan bedplassen bij volwassenen, Zwaan Mulder was op Radio Rijnmond, ze kreeg bezoek van De Telegraaf en SBS maakte opnames voor het programma Hart van Nederland. In het radioprogramma Met het Oog op Morgen was de schrijfster van het boek ‘Natte Lakens Droge Dromen’ Bianca Smits te gast.

Het verschijnen van dit boek, de eerste autobiografie over dit onderwerp, is de aanleiding voor alle aandacht. Het boek werd dit jaar in het Droogbedcentrum gepresenteerd. Het centrum gaf in alle persuitnodigingen aan hoe groot het probleem is in Nederland. Veel media pikten dit op.

Zwaan Mulder: ‘Voor de presentatie nodigden we Catherine Keyl uit die een interview hield met Bianca Smits. Door een bekende Nederlander in te schakelen hoopten we de aandacht te trekken. Ik bedoel dat absoluut niet lullig naar Catherine toe, maar ik geloof dat het getal van 120.000 meer indruk heeft gemaakt dan de naam van Catherine Keyl.’

Sinds de opening in 2003 heeft het Droogbedcentrum in het Diaconessenhuis ruim 400 bedplasssers intern gehad. Van hen waren er naar schatting 100 boven de 18 jaar. Van de honderd volwassenen die in Meppel kwamen, ligt het percentage dat droog geworden is ver boven de 90 procent.

Minrin ®

Het medicijn Minrin wordt veelvuldig ingezet om van het bedplassen af te komen. Minrin zorgt ervoor dat er ‘s nachts minder urine wordt aangemaakt. Het stofje dat de urineproductie reguleert, is in een aantal gevallen, de oorzaak van het bedplassen. Minrin zorgt er dus voor dat gedurende bepaalde tijd het tekort wordt aangevuld. Minrin kan in monotherapie voor zowel een langere periode ingezet worden, als ook ter overbrugging van korte specifieke perioden zoals vakanties, logeerpartijen en kamp door de snelle werking.

In andere situaties kan Minrin uitkomst bieden als na een paar weken de plaswekker alleen onvoldoende resultaat biedt. Gelijktijdig gebruik van het snelwerkende Minrin zorgt er dan voor dat het zelfvertrouwen herwonnen wordt, waardoor de kans om de therapie succesvol te vervolgen wordt verhoogd.

Minrin is in drie vormen verkrijgbaar: smeltvorm, tabletten en een neusspray. De werkingstijd is 6-10 uur voor de smeltvorm en de tablet en 10-20 uur voor de neusspray. In geval van de neusspray is anders dan bij de smeltvorm en tablet dus kans op werking overdag. Dit is niet gewenst bij (nachtelijk) bedplassen. De neusspray vereist een speciale toedieningstechniek voor het kind. Het is dan ook aan te bevelen om de instructie op de bijsluiter goed op te volgen. Bij verkoudheid, allergie of onjuiste toediening kan de effectiviteit van de neusspray door verminderde opname in het neusslijmvlies afnemen. In deze gevallen en in het geval van slikproblemen of maag-darm stoornissen gaat de voorkeur uit naar de smeltvorm. Afhankelijk van de dosering van de neusspray wordt er 2-4 pufjes voor het slapen gaan gebruikt. De neusspray kan buiten de koelkast worden bewaard tot 25C0. Voor de tabletten geld 1 tot 2 tabletten innemen voor het slapen gaan.

De nieuwste toedieningsvorm is de Minrin Melt. Één of twee éénheden onder de tong voor het slapen gaan is voldoende voor een goed resultaat. De smeltvorm is gemakkelijk mee te nemen tijdens logeerpartijen, schoolkampen, vakanties en in de thuissituaties. Het lost direct op. Er hoeft dus niet te worden geslikt en het kan zonder water worden gebruikt. De werking vermindert niet in geval van neusverkoudheid of maag-darm problemen. Tijdens het gebruik van Minrin wordt veel drinken afgeraden. Minrin is niet alleen voor Enuresis nocturna (bedplassen) geregistreerd, maar ook nog voor andere ziektebeelden. Hiervoor worden andere doseringen aanbevolen.

Theorie

Te diepe slaap / wekbaarheid

Uit 24-uurs EEG-registratie is gebleken dat enuresis nocturna zich in alle fasen van de slaap voordoet. Daarom is de wijd verbreide theorie dat kinderen ‘te diep slapen’ onjuist. Kinderen met en zonder enuresis hebben hetzelfde slaappatroon.
In recent onderzoek is aangetoond dat kinderen die bedplassen een hoge wekdrempel hebben.
Ze worden niet wakker op het signaal van een volle blaas waardoor de centraal geregelde beheersing van mictiedrang achterwege blijft. Als men kinderen met enuresis nocturna dan ook nog eens extra wil laten plassen, b.v. voordat de ouders slapen gaan, dan is het van belang ze goed wakker te maken (b.v. door hen iedere avond een ander wachtwoord te laten zeggen).

Psychosociale factoren

Ten aanzien van psychosociale problemen bij kinderen met enuresis is het moeilijk te bepalen wat primair is en wat secundair. Dat bedplassen een lastig probleem is, dat soms verregaande gevolgen kan hebben, is evident, althans voor iedereen die direct of indirect met dit probleem te maken heeft. Zij zijn het er allemaal over eens: bedplassen gaat gepaard met ongemak en kan zelfs leiden tot een totaal verstoord gezinsleven. hoe ouder het kind wordt, hoe groter vaak de schaamte en de kans op stigmatisering en sociaal isolement. Enuresis kan het gevolg zijn van psychische moeilijkheden, maar deze gevallen vormen een minderheid.
Bij secundaire enuresis springt soms wel een psychosociaal moment naar voren (naar school gaan, Sinterklaas, broertje erbij, enz.).
Wetenschappelijk onderzoek naar de psychosociale gevolgen van bedplassen is echter nog schaars. Nederlands onderzoek wijst uit dat kinderen die in bed plassen dit probleem inderdaad beschouwden als één van de ergere levensgebeurtenissen: zij scoorden het bedplassen als derde “ergst” direct na echtscheiding van en ruzie tussen de ouders. Dit in tegenstelling tot hun leeftijdgenoten, die niet in bed plassen, en dit probleem laag op de ranglijst inschaalden.
Uit onderzoek blijkt dat kinderen met enuresis nocturna een duidelijk lager zelfbeeld hebben dan een gezonde controlegroep en zelfs lager dan een groep chronische zieke leeftijdgenoten. Voor wat betreft het “sociaal functioneren” scoorden de bedplassende kinderen eveneens het laagst.
Om na te kunnen gaan in hoeverre psychosociale problemen bij bedplassen secundair zijn aan het bedplassen en niet primair, moet worden gekeken naar het effect van succesvolle behandeling van bedplassen op psychosociale parameters. Hierbij blijkt dat vooral het zelfbeeld van een kind met enuresis nocturna vaak verbetert, of dat gedragsproblemen significant verminderen na een succesvolle behandeling.

Bedplassen kan dus resulteren in gedragsproblemen en een laag zelfbeeld. Dit laatste is vanuit de ontwikkelingspsychologie gezien een belangrijk gegeven: een negatief zelfbeeld kan immers een normale ontwikkeling van sociale vaardigheden en andere psychologische kenmerken in de weg staan.

Beperkte blaascapaciteit / instabiele blaas

Er blijkt nauwelijks verschil in blaascapaciteit tussen kinderen met en zonder enuresis. Het kleine verschil dat wel gevonden wordt, zou ook een gevolg van de enuresis kunnen zijn.
Een instabiele blaas, of een instabiliteit van de m. detrusor, wordt tegenwoordig evenmin als een oorzaak van enuresis gezien. Wel bestaat er een (kleine) groep (3%) van vooral meisjes met enuresis nocturna die, ten gevolge van recidiverende urineweginfecties, een blaas ontwikkeld met een te kleine capaciteit en die te snel contraheert (instabiele blaas).

Urineproduktie ‘s nachts (ADH)

In normale gevallen is de produktie van het antidiuretisch hormoon (ADH, vasopressine) ‘s nachts hoger dan overdag.
Bij kinderen (en ook bij volwassenen) met enuresis nocturna kan er sprake zijn van minimaal verschil tussen de vasopressine-produktie overdag en ‘s nachts. Gevolg is een onverminderde produktie van laag-geconcentreerde urine ‘s nachts en een volle blaas.
Met name door de beschikbaarheid van een vasopressine-analogen, het anti-diureticum desmopressine, staan deze theorie en de medicamenteuze therapie van enuresis de laatste jaren sterk in de belangstelling

Familiaire factoren, erfelijkheid of erfelijke factoren.

Erfelijke factoren kunnen ook een rol spelen bij het ontstaan van bedplassen, met name bij kinderen waarvan één van de ouders of grootouders laat droog was. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat zeventig tot tachtig procent van de kinderen met primaire enuresis nocturna één of meer familieleden hebben die ook in bed plassen of hebben geplast. Vroeger werd dit vooral toegeschreven aan familiaire psychosociale factoren die tot enuresis leiden. Sinds een uitgebreid tweelingenonderzoek, waarbij monozygote tweelingen een veel sterkere concordantie voor enuresis nocturna hadden, bleek de herediteit als zuivere oorzakelijke factor.

In een recent onderzoek zijn bij een groep bedplassers met positieve familie-anamnese sterke aanwijzingen gevonden voor een dominante overerving van primaire enuresis nocturna via een gen gelegen op chromosoom 13q.

Somatische afwijkingen

98% van de kinderen met enuresis nocturna hebben geen somatische afwijkingen!

Dit hoge percentage rechtvaardigt enerzijds een terughoudendheid bij verdergaande diagnostiek, anderzijds moet men om wille van de resterende 2% gespitst zijn op mogelijkheid van onderliggende somatische afwijkingen. Dit geldt met name bij het tegelijkertijd vóórkomen van enuresis diurna.
Mogelijke somatische afwijkingen bij enuresis zijn: urineweginfekties, urologische afwijkingen, neurologische stoornissen (myelomeningocele) en polyurie t.g.v. diabetes mellitus, diabetes insipidus of nier-insufficiëntie.
Ook epilepsie kan een (zeldzame) oorzaak van enuresis nocturna zijn.
Anamnestisch kan vaak een somatische oorzaak vermoed worden. Vaak betreft het dan geen ‘gewone’ enuresis nocturna, maar is er een afwijkend mictiepatroon (imperatieve aandrang, pijnlijke mictie, continu druppelen etc.)

Therapie: Droogbed

Naast de plaswekker-methode is er een meer intensievere methode: de droogbed-training (oorspronkelijk beschreven door Azrin). Deze methode is bedoeld voor kinderen, die ondanks het uitvoeren van verschillende behandelingen, toch in hun bed blijven plassen. Met andere woorden de hardnekkige bedplasser.

Doelgroep:

  • Kinderen van tenminste 7 jaar oud;
  • andere methoden (inclusief plaswekker) hadden geen resultaat;
  • ouder en kind zijn gemotiveerd voor de methode;
  • Aspecten die de methode negatief kunnen beïnvloeden:
  • het kind heeft ernstige psychische of gedragsproblemen;
  • op korte termijn vinden grote veranderingen plaats in het gezin (verhuizing, geboorte).

Methode

De droog-bedtraining is verdeeld in drie fasen, die op de hiernaast vermeldde pagina’s worden uitgelegd.

Voordelen van de training

Het grootste voordeel in vergelijking met de plaswekker is de tijdwinst. Met de droog-bedtraining worden kinderen veel sneller droog.

Nadelen van de training

Omdat het een zeer intensieve training is, vergt dit veel inzet en doorzettingsvermogen van kind en ouder.

Begeleiding

Door een aantal GG&GD-en worden cursussen voor ouders gegeven waarin zij begeleid worden bij het geven van droog-bedtrainingen. Vraag hier eens naar bij de GG&GD bij u in de buurt.
Voor oudere kinderen en volwassenen worden intensieve droog-bedtrainingen ook gegeven tijdens een opname in een ziekenhuis, de zogenaamde klinische training. Het Incontinentiecentrum gevestigd in het Diaconessenhuis Meppel heeft veel ervaring op dit gebied. Zij trainen een aantal keren per jaar een groep jong volwassenen. U kunt er informatie opvragen via het telefoonnummer (0522) 233 850.
Ook een aantal andere ziekenhuizen hebben intensieve droog-bedtrainingen waarbij de bedplassers gedurende enkele dagen in het ziekenhuis worden opgenomen. Vraag hier eens naar bij uw huisarts, kinderarts of uroloog.

Informatie voor Ouders

Een kind dat overdag zindelijk is zal meestal wat later ook ’s nachts droog blijven. Sommige kinderen moeten nog een tijdje ’s nachts een keer opgenomen worden om hen een plas te laten doen. Het wordt pas als een probleem ervaren als kinderen, die overdag gewoon zindelijk zijn, na de kleuterleeftijd nog geregeld in bed plassen. Bedplassen is een merkwaardig verschijnsel. Voor een zuigeling en kinderen tot een jaar of drie is het normaal, voor een vijfjarige is het vervelend en op oudere leeftijd kan het een obsessie worden voor het kind zelf en voor het hele gezin. Op volwassen leeftijd verdwijnt het vaak spontaan, hoewel er ook volwassenen zijn die nog in bed plassen. Ruim 15 % van alle zesjarigen en 5 % van de tienjarigen zijn ’s nachts nog niet droog. Voor de leeftijdsgroep tussen de vijftien en de achttien jaar is dat naar schatting 1,5 %. Het is niet precies bekend hoeveel volwassenen met dit probleem worstelen, omdat het onderwerp op deze leeftijd taboe is. Bedplassen komt bij jongens twee keer zo veel voor als bij meisjes, een duidelijke reden daarvoor is onbekend.

Theorie

Een kind dat na de kleuterleeftijd tijdens slaap zonder opzet soms meerdere malen per nacht in bed plast noemen we een bedplasser (enuresis nocturna). Het plasproces verloopt volkomen normaal: Het kind doet een complete plas in bed. In Nederland geldt de norm van twee keer per maand in bed plassen bij kinderen van vijf en zes jaar en tenminste een keer per maand bij oudere kinderen. We spreken van bedplassen (enuresis nocturna) wanneer er geen lichamelijke stoornis aanwezig is zoals diabetes, urineweginfecties of epilepsie.
Ook maken we onderscheid tussen kinderen die ’s nachts nooit droog geweest zijn (primair bedplassen) en kinderen die al helemaal zindelijk waren maar die in bed zijn gaan plassen (secundair bedplassen). Bij meer dan de helft van de kinderen komt bedplassen in de familie voor. Hun ouders zullen daardoor meer begrip tonen omdat ze het zelf hebben meegemaakt.

Oorzaken

Het lijkt er soms op dat kinderen in bed plassen om aandacht te trekken, maar dat is zelden de reden. De meeste kinderen vinden het zelfs heel vervelend dat hun dit overkomt, zonder dat ze er iets aan kunnen doen. Ouders denken nog wel eens dat kinderen in bed plassen om te pesten. In de praktijk komt dat echter weinig voor. Bedplassen is een onbewust proces en voor een kind een te ingewikkelde manier om ongenoegen te uiten of om aandacht te trekken. Bovendien schaamt vrijwel ieder kind zich voor bedplassen. Een kind dat aandacht wil trekken of boos is zal bijvoorbeeld klagen over buikpijn of niet willen eten.

Ontwijkgedrag

Sommige vooral oudere kinderen gedragen zich onverschillig. Vaak is het zo dat kinderen geen raad weten met dit probleem en het om deze reden ontlopen. Ze ontwikkelen dan een ontwijkhouding als oplossing voor hun probleem onder het motto “als ik doe alsof het niet bestaat, is het er ook niet”. Voor ouders is die ontwijkhouding met betrekking tot het bedplassen moeilijk te begrijpen en zullen zij steeds weer proberen het probleem samen hun kind op te lossen. Als dat niet lukt zal het kind bij iedere mislukte poging een toenemend gevoel van falen ervaren, waardoor zijn ontwijkhouding sterker wordt.

Factoren

Er zijn verschillende factoren die het bedplassen in de hand kunnen werken:

  • erfelijkheid;
  • blaascapaciteit;
  • slaapdiepte;
  • rijping urineproductie;
  • organische oorzaken;
  • emotionele;
  • sociale factoren;

Lees meer over factoren…

Therapie

Het is belangrijk dat u het probleem bedplassen besproken heeft met uw huisarts, kinderarts of GGD-arts. Hij of zij zal kunnen beoordelen in hoeverre hier sprake is van een monosymthomatisch bedplasprobleem. Dat wil zeggen; een geïsoleerd bedplasprobleem zonder klachten van urineverlies overdag of problemen aan de blaas en of urinewegen. Wanneer gebleken is dat het plaspatroon overdag volledig normaal is en er verder geen medische oorzaken aan ten grondslag liggen, kan een behandeling worden gestart. Er zijn verschillende behandelingen, die onderling erg afhankelijk zijn van de leeftijd van het kind en van de ervaring met eerdere toegepaste methoden en vooral van het vertrouwen van ouders en kind in de gekozen weg. Een aantal behandelingsmethoden worden hier op de site vermeld. Onder de navigatieknop “therapie” vindt U verschillende trainingen. Wilt U meer weten ga dan terug naar [ Home ].

Bedplassen

Wanneer is er sprake van bedplassen?

Bedplassen wordt gedefinieerd als het ongecontroleerd doen van een volledige plas tijdens de slaap. Als bedplassers wakker zijn, hebben ze nergens last van. Dit in tegenstelling tot incontinentiepatiënten die zowel overdag als ‘s nachts in hun broek plassen. Alhoewel dit minder bekend is, komt bedplassen ook bij volwassenen nog frequent voor. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 1% van de volwassenen in bed blijft plassen. Bij mannen iets vaker dan bij vrouwen. Sommigen van hen plassen elke nacht in hun bed en anderen maar zo nu en dan.

Wat zijn de mogelijke oorzaken van bedplassen?

De oorzaken van bedplassen zijn lange tijd onduidelijk geweest. Er werd bijna nooit een lichamelijke afwijking gevonden, Daarom werd vroeger vaak gedacht dat psychische problemen de oorzaak waren. Hiervoor is echter geen enkele aanwijzing gevonden. Uit onderzoek blijkt dat bedplassen verschillende oorzaken kan hebben [meer details] :

  • Er kunnen lichamelijke afwijkingen zijn, waardoor de blaas niet naar behoren werkt.
  • Ons lichaam maakt een stof die het vasthouden van vocht door de nieren beïnvloedt. Bij niet-bedplassers maakt het lichaam tijdens de slaap meer van deze stof dan overdag. Hierdoor wordt er ‘s nachts minder urine geproduceerd. Aangenomen wordt dat bedplassers ‘s nachts niet voldoende van deze stof produceren.
  • Sommige mensen worden ‘s nachts erg moeilijk wakker en zijn daardoor ‘s nachts niet gevoelig voor de signalen van de blaas, die aangeven dat deze vol is.
  • Wellicht is er ook sprake van een erfelijke factor, aangezien bedplassen in bepaalde families meer voorkomt dan in andere families.

Wat betekent het om nog in je bed te plassen?

Bedplassen is voor degenen die daar last van hebben, erg ingrijpend. Zij schamen zich ervoor en durven er niet voor uit te komen. Uit angst om bij anderen in hun bed te plassen, durven ze niet bij anderen te logeren, niet op schoolkamp te gaan of geen relatie op te bouwen.

Wanneer behandelen?

Op de eerste plaats is het belangrijk dat degene die bed-plast overdag regelmatig plast. Wanneer je 6 tot 7 glazen per dag drinkt dan is het normaal dat je ongeveer 5 tot 6 keer overdag plast. Het is vrij eenvoudig om dat gedurende 3 dagen bij te houden. Als het plaspatroon overdag afwijkend is, kunt u het best even overleggen met uw huisarts.

Als er overdag geen problemen (meer) zijn dan kan er geprobeerd worden om met een gerichte behandeling van het bedplassen af te komen. Hiervoor moet u altijd contact opnemen met uw huisarts. Voordat gestart wordt met de behandeling zal de arts altijd nagaan of er wellicht andere oorzaken aan ten grondslag liggen. Bij jonge kinderen wordt meestal pas gestart met de behandeling, als het kind het bedplassen zelf als een probleem ervaart en aan de behandeling wil meewerken. Alleen dan is er kans dat de behandeling succesvol is.

Welke behandelingen zijn er?

Door een aantal urologen, huisartsen, kinder- en jeugdartsen zijn er richtlijnen ontwikkeld voor het behandelen van kinderen en van volwassen bedplaspatiënten. Bij kinderen wordt veel gebruik gemaakt van gedragsbeïnvloedende behandelingen, zoals wektraining, positief stimuleren, plaswekkers en droogbedtrainingen. Voor oudere kinderen wordt ook een intensieve droogbedtraining geadviseerd.

Voor schoolkampen, logeerpartijen en ter ondersteuning van bovenstaande behandelingen, worden ook vaak medicijnen voorgeschreven. Deze medicijnen zorgen er voor dat de bedplasser die nacht droog blijft. Meer informatie hierover is op te vragen bij het Kenniscentrum Bedplassen.

Volwassen bedplaspatiënten hebben vaak veel behandelingen al geprobeerd en hebben geen vertrouwen meer in gedragstherapieën. Bij deze groep wordt daarom vaak gekozen voor geneesmiddelen, waarvan desmopressine het meest wordt voorgeschreven.

Voor meer informatie en persoonlijk advies over mogelijke behandelingen bij u in de buurt kunt u contact opnemen met uw huisarts of met de school-/jeugdarts van de GGD bij u in de regio. Bij een groot aantal GGD-en kunt u daarnaast ook terecht voor het volgen van een droog-bedtraining. Bij deze training worden ouders getraind in het begeleiden van hun kind. Voordat u een plaswekker huurt of een behandeling start, is het verstandig bij de zorgverzekeraar na te vragen in hoeverre deze behandelingen vergoed worden.

Hulpverleners kunnen bij het Kenniscentrum Bedplassen namen en adressen opvragen van verpleegkundigen, leveranciers van plaswekkers, artsen, orthopedagogen en ziekenhuizen die zich gespecialiseerd hebben in de behandeling van bedplassen.

Therapie: Plaswekker

Een goede methode tegen bedplassen die door de meeste artsen wordt geadviseerd, is de plaswekker. Deze plaswekker is te verkrijgen via de huisarts/schoolarts, bij de kruisvereniging of bij de plaswekkerfabrikant zelf. Er zijn verschillende fabrikanten die plaswekkers aanbieden.
De plaswekker kan gebruikt worden vanaf 7 jaar. Van belang is dat het kind zelf van het bedplassen af wil komen en het zelf dus als een probleem ziet. Het kind moet voldoende gemotiveerd zijn om iets tegen het bedplassen te doen. In enkele gevallen is het kind al op jongere leeftijd gemotiveerd. De plaswekker kan eerder gebruikt worden, maar aangeraden wordt dat het kind in ieder geval 6 jaar is.

Werking van de plaswekker

De plaswekker is een apparaat dat met een draadje verbonden is aan een speciaal broekje of inlegger. Voor het slapen gaan wordt de wekker door het kind samen met de ouders geïnstalleerd. Zodra er ‘s nachts een paar druppels op het broekje komen, gaat de wekker af. Het kind gaat uit bed, zet de wekker af, doet zijn plas op het toilet en vervangt het gebruikte broekje. Dan schakelt het kind de wekker weer in. Zodoende wordt het kind steeds gewaarschuwd op het moment dat de blaas vol is. Als het kind erg moeilijk wakker wordt, maakt de ouder het kind wakker b.v. met een nat washandje op zijn/haar voorhoofd. Na enkele nachten zal het kind sneller wakker worden. Het is heel belangrijk dat het kind echt wakker is, omdat u anders het kind leert bedplassen. Het kind moet ‘s nachts niet slaapdronken naar het toilet gaan, maar alle stappen volgen. Leer het kind vooraf precies wat het moet doen. Het kind moet gaan slapen met het idee “ik moet wakker worden van de plaswekker, als ik het geluid hoor, spring ik uit mijn bed”. Indien het bed toch nat is, moet het kind zelf (helpen met) verschonen.

Naast de plaswekker met het broekje bestaan er nog andere twee typen: plaswekker met een mat en een trilkussen die speciaal gemaakt is voor doven en slechthorenden.

Duur van het gebruik

Het is beter om de plaswekker niet langer dan vier maanden te gebruiken, tenzij met inschakeling van de huisarts of hulpverlener. Stoppen als het kind 2 weken droog is. De wekker dan nog wel 1 week in huis houden.

Begeleiding belangrijk

Wil de methode een goede kans van slagen hebben, dan moet de plaswekker goed werken en moet er voldoende begeleiding zijn. Het probleem is dat niet iedere fabrikant of kruisvereniging goede begeleiding geeft. Sommige plaswekker fabrikanten, een aantal GG en GD en zorgverzekeraars geven begeleiding. Voor informatie kunt u contact opnemen met het KCB.

Plaswekker in combinatie met Medicijnen

Artsen adviseren ook in bepaalde gevallen de plaswekker in combinatie met Minrin, een preparaat dat ervoor zorgt dat er minder urine wordt aangemaakt. De plaswekker in combinatie met Minrin werkt voor het kind motiverend, omdat als er eenmaal niet in bed wordt geplast het zelfvertrouwen toe kan nemen.

Diagnostiek

Na een anamnese die wijst op een ongecompliceerde enuresis nocturna, levert een lichamelijk onderzoek meestal weinig op. Toch wordt aangeraden om dit simpele en weinig tijdrovende onderzoek uit te voeren; al was het maar om vergissingen uit te sluiten en ter bevestiging dat ‘alles normaal is’.

Het lichamelijk onderzoek omvat:

  • inspectie meatus externa, buik en anus
  • sensibiliteit (met wattestokje of spatel) van het perineum
  • percussie van de blaas en palpatie van de nieren
  • (evt.) meten van de bloeddruk

Het urine-onderzoek bestaat uit bepaling van eiwit, glucose en het aantonen van een ontsteking (stick of sediment).

Indien uit anamnese, lichamelijk onderzoek en urine-onderzoek geen verontrustende gegevens zijn gekomen, is er sprake van een ongecompliceerde enuresis nocturna. In deze groep komen organische aandoeningen niet vaker voor dan in de doorsneebevolking. Mede daarom is aanvullend onderzoek niet nodig.
Medicalisering van enuresis nocturna door onnodig aanvullend onderzoek geeft problemen in de vorm van onzekerheid bij de arts en vooral het kind, waardoor een gerichte behandeling moeilijker wordt. Daarnaast is er het kostenaspect.

Casus

In een enquête naar het diagnostisch beleid van enuresis nocturna (Ned Tijdschr Geneeskunde 1991; 135, 38: 1747 – 9) werd de volgende casus aan kinderartsen, urologen en huisartsen voorgelegd:

“Een vrolijk meisje van 8 jaar is sinds haar 3e jaar overdag zindelijk, maar ‘s nachts nog niet; zij is praktisch elke nacht nat. De ouders hebben het tot dusver aangezien, maar komen nu op het spreekuur. Uitgebreide anamnese levert geen relevante gegevens op, evenmin als het oriënterend lichamelijk onderzoek.”

Welk diagnostisch beleid volgt u voordat u therapie instelt ?

  1. urineonderzoek (stick en/of sediment)
  2. urinekweek, laboratorium, echografie van blaas en nieren
  3. buikoverzichtsfoto, mictiecystogram, i.v.p.
  4. verwijzen naar specialist

 26 van de 40 huisartsen beperkten zich tot de diagnostiek, zoals genoemd onder a). De overige huisartsen gingen verder, waarbij vooral de echografie hoog scoorde. Bij de kinderartsen en urologen was het beeld nog duidelijker: slechts 7 van de 45 beperkten zich!
De Zwarte Piet, zo stelt het NTvG, van het teveel aan onderzoek ligt niet alleen bij de specialisten. Huisartsen verwijzen vaak met een specifieke vraagstelling (‘uitsluiting urologische afwijkingen’). De huisarts zal (misschien) niet accepteren dat het kind wordt teruggestuurd met de vermelding dat na zorgvuldige anamnese gebleken is dat nader onderzoek niet is geïndiceerd.
Bij het vermoeden van urologische afwijkingen komen als aanvullende onderzoeken in aanmerking: echografie van nieren en blaas, zowel voor als na de mictie (uitsluiten residue) en uroflowmetrie; en voorts het plassen op een
flowmeter (uitsluiten obstructie). Beide onderzoeken zijn niet invasief en relatief goedkoop.
Het IVP, buikoverzicht en urodynamisch onderzoek hebben geen toepassing meer bij de diagnostiek van enuresis.

Welkom bij www.bedplassen.org

Bedplassen is een veel voorkomend probleem. Ruim 1 op de 6 kinderen van 6-jaar plast nog geregeld in bed. In de leeftijd van 13 tot 16 jaar is dit percentage nog steeds 1 tot 2%. Ook bij volwassenen komt dit probleem vaker voor dan aangenomen wordt. Doordat er echter nog steeds een taboe op rust, hoor je er relatief weinig over. Daarom is door een aantal specialisten, incontinentieverpleegkundigen en huisartsen in samenwerking met TNO Preventie en Gezondheid het Kenniscentrum Bedplassen opgericht.

Voor wie is het Kenniscentrum bedoeld?

Het Kenniscentrum richt zich zowel op patiënten als op hulpverleners en andere geïnteresseerden.
Patiënten kunnen bij het Kenniscentrum Bedplassen informatie opvragen. Hulpverleners kunnen alle beschikbare informatie op het gebied van bedplassen opvragen bij het Kenniscentrum Bedplassen zoals onderzoeken, nieuwe behandelingsmogelijkheden, literatuur en namen van specialisten op dit gebied.

Waar houdt het Kenniscentrum zich mee bezig?

De laatste jaren zijn er meer behandelingsmogelijkheden voor bedplassen ontwikkeld, zoals droogbedtrainingen, uitgebreide plaswekkerbehandelingen en geneesmiddelen. Het probleem is dat veel mensen nog niet op de hoogte zijn van deze mogelijkheden. Ze hebben er mee leren leven en zijn niet meer op zoek naar een oplossing voor het probleem. Het Kenniscentrum Bedplassen kan deze mensen informatie geven over behandelingsmogelijkheden en/of doorverwijzen naar de juiste instanties.
Het Kenniscentrum adviseert niet, omdat zij de patiënt en diens problematiek niet persoonlijk kent. Door het geven van informatie, wil zij ervoor zorgen dat de patiënt bij haar of zijn bezoek aan de arts beter beslagen ten ijs komt.

Wat doet het Kenniscentrum nog meer?

Naast het geven van informatie houdt het Kenniscentrum zich bezig met de coördinatie van onderzoek, het stimuleren en het ontwikkelen van nieuwe behandelingsmethoden en het onder de aandacht brengen van de problematiek en mogelijke behandelingen. Ook initieert het Kenniscentrum patiëntenvoorlichtingsactiviteiten, bijscholingscursussen en state-of-the-art conferenties op het gebied van bedplassen.